Axo
Langzaam gleed de trein het station van Vlissingen binnen.Hilde stapte uit en snoof de zilte zeelucht binnen die in haar longen prikte. Het gekrijs van zeemeeuwen was duidelijk te horen boven het rumoer van alledag. Ze was bijna thuis. Hilde hapte afwezig naar de verse Zeeuwse bolus in haar hand, die ze eerder had meegenomen van de bakker in Krabbendijke, waar haar tante vandaan kwam.
De bakker was een kennis – of nou ja, de vader van een kennis. Ze heeft met zijn zoontje, Lucas, op de basisschool gezeten. Echt een onuitstaanbare belhamel was het. En toch waren ze vrienden geworden, vooral door een wedstrijdje wie als eerste in de bruine beuk naar boven kon klimmen. Zij won, natuurlijk. Natuurtalent dat ze was. Zo heeft ze zijn respect afgedwongen, wat leidde tot vele afspraakjes na school.
Toen ze naar Vlissingen verhuisde zijn ze het contact verloren. Het verwaterde gewoon, de drukte van het dagelijkse leven ging voor. En zonder het door te hebben was het 8 jaar later. Tijdens een gesprek met haar tante, kwebbelkous dat ze is, die aan het roddelen was over ditjes en datjes binnen het dorp viel zijn naam als een nostalgiebom. Alle herinneringen kwamen terug, en ze wist: ze moest hem zien. Ze moest weten hoe het met hem ging. Hoe hij was veranderd. Wat hij heeft meegemaakt.
Daarom ging ze naar zijn vader’s bakkerij, en ja hoor, daar was hij. Lucas, op zijn minst vijfentwintig centimeter gegroeid sinds de vorige keer dat ze hem zag. Zijn goed ontwikkelde spieren waren hard aan het werk met het kneden van deeg. Hilde zag dat hij veel rustiger leek. Hij merkte haar eerst niet eens op, tot ze haar keel schraapte. Een vage blik veranderde langzaam in een blik van herkenning, en met deze herkenning verscheen de leukste lach die Hilde ooit in haar leven had gezien op zijn gezicht. Ze moest er nog steeds van blozen. Ze hebben elkaars nummers opnieuw uitgewisseld (Hilde was van provider veranderd en natuurlijk kon ze haar oude telefoonnummer niet overzetten). En nu heeft ze hem gewoon in haar telefoon staan. Lucas. Haar innerlijke stem jubelde van geluk. Gauw keek ze op haar telefoon, hopend op een ongelezen bericht van hem.
Toen, opeens, voelde ze geflapper van een wirwar van witte veren heel dicht bij haar oor gevolgd door een bekend triomfantelijk gekrijs, een stekende pijn in haar linkerhand waardoor ze zelf gilde en alles losliet, inclusief haar telefoon, die hard op de grond knalde en meteen een gebroken scherm had. De half opgegeten bolus was nergens te bekennen.
Daar was ze dan. Ísbrand. Ze was bezig met haar fuiken op te zetten in het ondiepe riviertje aan de buitenkant van ons dorp. Ze was zo dichtbij, maar zo ver weg. Ze stond weer op, haar donkerrode haren volgde als een soort waaier haar beweging achterna. Haar gezicht was mooi, gehard door de ruige omstandigheden van het leven. Toch straalde ze een warmte uit, als een zon op een regenachtige dag. Ze keek even naar boven, naar de grijsblauwe wolken die in de verte op aan het doemen was. Over regen gesproken. Toen boog ze weer naar voren om zich op haar werk te focussen. Ik kon niets anders doen dan haar volledig aan te staren. Ze kijkt weer op. Raakt haar blik de mijne? Ze lacht. Ik lach terug. Ik word fel in mijn zij aangestoten. ‘Hé, Kraft, zit niet zo te staren jongen. Straks vang je nog vliegen met die open bakkes van je.’ Ik ben me weer bewust van het heden en doe gauw mijn mond dicht. ‘Hier, heb nog een steen. De afbakening gaat niet vanzelf.’ Met mijn handen vol met werk begin ik weer te bewegen. De man naast mij – Brún – grinnikt en gaat ook weer door. Hij heeft gelijk. De afbakening is tijdens de vorige aanval van de Ôrdlaf stam verwoest. Twee van de 4 eenkoornvelden zijn hierdoor ondergelopen met water. Een deel van de oogst is verpest, en dat betekent: rommelende buiken. Maar vanavond wordt het feesten, want we gaan ze terugpakken. Een aantal spoorzoekers hebben hun kamp gevonden aan de andere kant van de grote weide. Ik grijns in mezelf. Ik ga het doen. Ik ga ze neerslaan. En dan, wanneer we – ík – heb gewonnen, neem ik Ísbrand’s hand als mijn prijs.
Die avond is het feesten geblazen. Een heldere avondhemel staart ons aan, nietszeggend. De Goden lijken stil vanavond. Ik ril van de kou. Ik doe mijn schapenwol strakker om me heen en begin dichter bij het vuur te schuifelen. Ik kijk om me heen, naar mijn dorpsgenoten. Bekende gezichten, verlicht door een warme oranje gloed. Vrienden, familie. Het begint warmer te worden, vooral in mijn borstkast. Ik glimlach. Het lijkt alsof het leven nooit zo leuk is geweest. Alcohol vloeit als water. Sommigen dansen wild op de melodische klanken van een Chrotta, anderen genieten van het heerlijke vlees van een gevangen everzwijn die aan het spit ligt. Ik geniet mee met de muziek, zacht meedeinend op de energie van de kleine menigte. Brúno komt naast me zitten en pakt me bij mijn schouder. “Dus, ga je vanavond nog je kans grijpen?” Ik grinnik. “Beste Brún, kun je even ergens anders aan denken dan de wijven? Het is feest, verdorie.” Brún’s lach buldert door de menigte. “Joah, joah. Maar de wieven zijn altijd een feest, vind je niet? Het is moeilijk kiezen hoor, een everzwijn of een wief. Ze zijn allebei om op te eten. HAHAHAHA!” Zijn enorme schouders schudden heen en weer terwijl hij tegen me aan leunt. Hij vind zijn eigen grappen altijd hilarisch. Ik lach maar met hem mee, om hem tevreden te stellen. Het kan nooit kwaad, een grote sterke kerel in je vriendenkring. Hij heft zijn bokaal. “Op de liefde! En goeie wieven.” Een aantal dronkenlappen heffen hun glas met hem mee.
Een aantal uur later ben ik zo zat als een malle. Ik strompel door de straatjes van ons dorp, nog half mee lallend met de muziek die in de verte klinkt. Ik ben op zoek. Op jacht. Ísbrand is namelijk nergens te vinden. Ik wil haar om haar hand vragen wanneer ik terugkom van onze overwinning op Ôrdlaf. Ôrdlaf. Mijn gezicht vertrekt in een snauw. Lafaards, dat zijn het. Mijn tante en haar dochter, neergestoken door speren. Mijn Pa, vermorzeld onder hun voeten. Ik grimas. Pa. Ik verstop mijn verdriet achter withete woede. Daar gaat mijn goede humeur. Weet je wat? Ik ga vanavond gewoon zelf op pad. Ik breek binnen en verbrijzel hun schedels in hun slaap. Als lammekes naar de slacht. Dat zal ze leren! Ik stomp terug naar huis, nog niet helemaal zeker van mijn evenwicht. Al snel zie ik de houten constructie, aan elkaar gelijmd met leem bij de muren om het warm te houden. Och, thuis. De rest zal nog wel aan het feesten zijn. Ik mep het doek dat voor de ingang zit opzij en zoek verwoed naar mijn spullen. Speer, gevonden. Schild, gevonden. Zwaard.. Natuurlijk. Verstopt onder de voorraadkast. Het is antiek, al generaties in de familie. Pa had het. Hij is ermee gestorven. Ik heb het uit een Ôrdlafse schavuit moeten halen. Pa heeft er minstens tien neergemaaid voordat hij zelf neerging. Ik ga voor minstens twaalf – neen, het hele kamp! Met trillende handen haal ik het zwaard uit zijn schede. Het is vlijmscherp, alsof het gisteren gemaakt is. Zorg goed voor je wapens, m’n jong. En dan zullen zij jou ook beschermen. Nou, daar had hij dus niets aan. Ik stop het zwaard aan mijn zijde. Moge de geesten van mijn wapens mij wel beschermen. Ik sta op en trek erop uit, stil als de nacht.
Onderweg richting het einde van mijn dorp beginnen mijn gedachten wat op te klaren. Twijfel slaat toe. Nee, dit is goed. Dit is wat ze verdienen. Maar alleen? Ik kijk achter me. Misschien moet ik toch Brún meevragen. De ijdele hoop dat hij achter me staat, zoals altijd, is tevergeefs. Ik marcheer verder, uit het dorp. Het ven waait rustig heen en weer. Rechts van me hoor ik de rivier kalm stromen. De modderige ondergrond wordt verlicht door een bleek, miezerig beetje maanlicht. Ik loop gespannen door. Wacht eens, daar zie ik iemand. In de verte. Met een fakkel. Is dat Ísbrand? Oh, gelukkig. Ben ik toch niet alleen. Mijn pas versnelt. Mijn hart bonst in mijn keel. Ísbrand! Wil ik roepen, maar voordat mijn stem uit mijn keel komt verschijnen er meer lichtpunten in de verte. En nog meer. Al snel staat mijn zicht voor ontelbare zwaaiende lichten, die steeds groter worden. Angst slaat toe. Dit is Ísbrand helemaal niet. Dit is een enorme menigte. Wat doen ze hier op dit uur? Heeft Ôrdlaf gehoord dat we aan het feesten zijn en komen ze ons aanvallen wanneer we op ons zwakst zijn? Mijn familie…
Mijn voeten zijn mijn gedachten voor en zijn allang omgedraaid. Ik ren zo hard ik kan terug naar mijn dorp. Het is niet snel genoeg. Ik laat mijn schild en speer vallen en ren door met het zwaard bengelend aan mijn heup. “ALARM!! WE WORDEN AANGEVALLEN! ALARM!!” Ik ben nog niet dichtbij genoeg. Mijn adem is kort en hevig. Het komt er met horten en stoten uit. Door! Ik moet ze waarschuwen. “ALARM!!! HELP!!!” De wanhoop slaat toe. Mijn benen zijn aan het verzwakken. Ik ben er bijna. De afbakening is in zicht. “WE WORDEN AANGEVALLE-“ Ik voel een scherpe pijn van achter. Mijn adem begint te gorgelen. Maar ik ren door. Een pijl vliegt langs me de heide in. Ik ben bij de afbakening. Waarom staat er niemand? “HELP!” kan ik alleen nog maar uitbrengen. “WAPENS!” Geen gehoor. Waar is Brún? Ísbrand? Ma? Mijn gegorgel wordt erger. Op naar het vuur. Hier de hoek om en- Nog een stekende pijn, deze keer net onder mijn ribben. Er steekt een houten pijl uit mijn zij. Ik kerm van de pijn, maar ik stop niet. Stap voor stap strompel ik verder. Ik kan niet meer ademen. Ik kan niet meer schreeuwen. In de verte zie ik het vuur en de dansende mensen. Ik gorgel.Ik val.Ísbrand. …Ma. Alles wordt zwart.
brommmmpghhhrmmm bolderbrommm ghhhrommmm Hans schrikt wakker van het gebolder en gedonder van het onweer. Het is een donkere winteravond. Het weer stond hem eerder op de dag al niet aan, dus in plaats van Lobbes - zijn ouwe hond - uit te laten, had hij ervoor gekozen om vroeg in bed te duiken. Hans maakt oude mannengeluiden terwijl hij zichzelf omhoog hijst. Hij plant zijn rug tegen het hoofdeind van het bed aan en gaat rechtop zitten, terwijl hij wacht tot zijn hart kalmeert.
Bom-bom, bom-bom, bo-dom, Bam-bam, ba-pam, da-dam, bonk-bonk, pom-pom, pom-pom, bo-bom… bo-bom.. bo-bom..
Wanneer zijn hart tot rust is gekomen, staat Hans op en stapt hij in zijn pantoffels – of ja, pantoffel. Hij kijkt uit het raampje van zijn tot woonhuis omgebouwde vuurtoren, waar de zee hard tekeer gaat. Woesjj, roesjjj, wffff, mpsshhhh, wo-mpfffff, pfffrshhhh, pffffffff, woesjjj, roesjjjj
Er gaat niets boven een beetje natuurgeweld. Hij grinnikt in zichzelf. Als hij nog zou varen met zijn oude bemanningsleden, zou deze avond het perfecte moment zijn voor een nieuw avontuur. Maar helaas, de tijd van ontdekkingsreizen is al lang voorbij. Tegenwoordig heeft iedereen zo’n TOMTOM.
Hans hinkt naar de deur van zijn kamer, waar zijn kunststof been zich bevindt. Hij vind zijn oude houten been nog steeds erg stoer, maar ook hij moet mee met de tijd. Als hout vochtig wordt, zet het uit en schuurt het zo bij de plek waar ooit zijn knie zat. Ook is hout erg zwaar en vinden sommige insecten het een heel leuke schuilplaats. Hans huivert. Een vage herinnering aan het geschraap van houtwormen die hij destijds veel te dicht bij zijn beenstompje voelde schiet door zijn hoofd. Hij schudt de gedachte van zich af en loopt door de smalle deur van zijn kamer . De deur heeft een cirkelvormig raampje, dat Hans van een ander schip heeft meegenomen en zelf in de deur heeft getimmerd. Hij is nog altijd trots op zijn vakkundigheid. Aan het andere eind van de spiraalvormige trap hoort Hans het gelach van een baby.
wehehehe hehehehe mwehehehe hehhhh heh heh heehhh hehee – ahhiiiii - hehehe- haaaaa hehehehee hihihi
Hans komt met een vragend gezicht de hoek om. Lobbes ligt languit op de bank van de woonkamer. De hond snurkt als een 53-jarige man met een midlifecrisis. Eén van zijn poten hangt over de armleuning. Lobbes’ kop leunt tegen de rugleuning aan, en grote slierten speeksel hangen uit zijn bek. De Televisie speelt een video af: lachende babygeluiden voor eenzame moeders: 24 uur versie. Het afspeelcirkeltje staat op vijf uur en drieëntwintig minuten. Het hondengesnurk en babygelach wisselen elkaar af, alsof ze met elkaar aan het praten zijn. Hans zoekt naar de afstandsbediening om een einde te maken aan de kakofonie en vindt hem half verborgen onder Lobbes’ buik. Na wat gesjor en een plop is Hans weer de meester van de afstandsbediening. Lobbes is meteen wakker.
WOE WOE WOE W- WWH- WOE WOE WOE
“Joah joah, ik ben het maar, ouwe Lobbes. Had je de TV voor jezelf?” Hans zet de TV uit en pakt de riem. Lobbes weet wat dit betekent en sjokt nog half in slaap naar de deur. Bij de deur krijgt de hond een stevige aai, wat klopjes op zijn rug, een handvol brokjes en de riem om. Hans heeft zijn regenjas aan en loopt tegen weer en wind in. Hij kan er bijna in leunen. Samen met zijn hond slaat hij een steegje in, waar een aantal jongeren in een cirkel een vuurwerkpakket aan proberen te steken. Hans stapt er op af en biedt zijn superdeluxe aansteker 9000 aan, waar hij normaal zijn sigaren mee aansteekt. Na een aantal pogingen kan het vuurwerk toch worden aangestoken, ondanks het weer.
BOEM BONS, BONS BOEM, BAM WOE WOE WOEE, WOF WOF Lobbes laat ook van zich horen.BAF, BOEM, BAMM, pfffrrt iiieeeeuuuuuwww BAM.
En dan is het gedaan. De jongeren bedanken Hans, en hij grijnst. “Niks mooiers dan wat goeie kanonschoten.” Hij wenst ze een goede nacht en hinkt door. Lobbes doet nog even zijn ding in het gras.
Eindelijk komen Hans en Lobbes aan op hun eindbestemming: Bruine Bakkes, een biercafé. Het geluid van andere halvezolen die ondanks het weer toch wat wilden drinken vult de ruimte.
Blah blah blaahh ba ba ba boahhh boahh boahh wah wahh mwoahh mwoahh
Hans bestelt een quadruppel bij Scheve Steven: de barman en een oude vriend, en gaat er eens goed voor zitten. Lobbes krijgt een portie restjes van de keuken, die hij gretig opslobbert. Hans slaakt een lange, uitgelaten zucht en krabt aan zijn been.
Het leven is goed.
AxoDesign
Langzaam gleed de trein het station van Vlissingen binnen.Hilde stapte uit en snoof de zilte zeelucht binnen die in haar longen prikte. Het gekrijs van zeemeeuwen was duidelijk te horen boven het rumoer van alledag. Ze was bijna thuis. Hilde hapte afwezig naar de verse Zeeuwse bolus in haar hand, die ze eerder had meegenomen van de bakker in Krabbendijke, waar haar tante vandaan kwam.
De bakker was een kennis – of nou ja, de vader van een kennis. Ze heeft met zijn zoontje, Lucas, op de basisschool gezeten. Echt een onuitstaanbare belhamel was het. En toch waren ze vrienden geworden, vooral door een wedstrijdje wie als eerste in de bruine beuk naar boven kon klimmen. Zij won, natuurlijk. Natuurtalent dat ze was. Zo heeft ze zijn respect afgedwongen, wat leidde tot vele afspraakjes na school.
Toen ze naar Vlissingen verhuisde zijn ze het contact verloren. Het verwaterde gewoon, de drukte van het dagelijkse leven ging voor. En zonder het door te hebben was het 8 jaar later. Tijdens een gesprek met haar tante, kwebbelkous dat ze is, die aan het roddelen was over ditjes en datjes binnen het dorp viel zijn naam als een nostalgiebom. Alle herinneringen kwamen terug, en ze wist: ze moest hem zien. Ze moest weten hoe het met hem ging. Hoe hij was veranderd. Wat hij heeft meegemaakt.
Daarom ging ze naar zijn vader’s bakkerij, en ja hoor, daar was hij. Lucas, op zijn minst vijfentwintig centimeter gegroeid sinds de vorige keer dat ze hem zag. Zijn goed ontwikkelde spieren waren hard aan het werk met het kneden van deeg. Hilde zag dat hij veel rustiger leek. Hij merkte haar eerst niet eens op, tot ze haar keel schraapte. Een vage blik veranderde langzaam in een blik van herkenning, en met deze herkenning verscheen de leukste lach die Hilde ooit in haar leven had gezien op zijn gezicht. Ze moest er nog steeds van blozen. Ze hebben elkaars nummers opnieuw uitgewisseld (Hilde was van provider veranderd en natuurlijk kon ze haar oude telefoonnummer niet overzetten). En nu heeft ze hem gewoon in haar telefoon staan. Lucas. Haar innerlijke stem jubelde van geluk. Gauw keek ze op haar telefoon, hopend op een ongelezen bericht van hem.
Toen, opeens, voelde ze geflapper van een wirwar van witte veren heel dicht bij haar oor gevolgd door een bekend triomfantelijk gekrijs, een stekende pijn in haar linkerhand waardoor ze zelf gilde en alles losliet, inclusief haar telefoon, die hard op de grond knalde en meteen een gebroken scherm had. De half opgegeten bolus was nergens te bekennen.
Daar was ze dan. Ísbrand. Ze was bezig met haar fuiken op te zetten in het ondiepe riviertje aan de buitenkant van ons dorp. Ze was zo dichtbij, maar zo ver weg. Ze stond weer op, haar donkerrode haren volgde als een soort waaier haar beweging achterna. Haar gezicht was mooi, gehard door de ruige omstandigheden van het leven. Toch straalde ze een warmte uit, als een zon op een regenachtige dag. Ze keek even naar boven, naar de grijsblauwe wolken die in de verte op aan het doemen was. Over regen gesproken. Toen boog ze weer naar voren om zich op haar werk te focussen. Ik kon niets anders doen dan haar volledig aan te staren. Ze kijkt weer op. Raakt haar blik de mijne? Ze lacht. Ik lach terug. Ik word fel in mijn zij aangestoten. ‘Hé, Kraft, zit niet zo te staren jongen. Straks vang je nog vliegen met die open bakkes van je.’ Ik ben me weer bewust van het heden en doe gauw mijn mond dicht. ‘Hier, heb nog een steen. De afbakening gaat niet vanzelf.’ Met mijn handen vol met werk begin ik weer te bewegen. De man naast mij – Brún – grinnikt en gaat ook weer door. Hij heeft gelijk. De afbakening is tijdens de vorige aanval van de Ôrdlaf stam verwoest. Twee van de 4 eenkoornvelden zijn hierdoor ondergelopen met water. Een deel van de oogst is verpest, en dat betekent: rommelende buiken. Maar vanavond wordt het feesten, want we gaan ze terugpakken. Een aantal spoorzoekers hebben hun kamp gevonden aan de andere kant van de grote weide. Ik grijns in mezelf. Ik ga het doen. Ik ga ze neerslaan. En dan, wanneer we – ík – heb gewonnen, neem ik Ísbrand’s hand als mijn prijs.
Die avond is het feesten geblazen. Een heldere avondhemel staart ons aan, nietszeggend. De Goden lijken stil vanavond. Ik ril van de kou. Ik doe mijn schapenwol strakker om me heen en begin dichter bij het vuur te schuifelen. Ik kijk om me heen, naar mijn dorpsgenoten. Bekende gezichten, verlicht door een warme oranje gloed. Vrienden, familie. Het begint warmer te worden, vooral in mijn borstkast. Ik glimlach. Het lijkt alsof het leven nooit zo leuk is geweest. Alcohol vloeit als water. Sommigen dansen wild op de melodische klanken van een Chrotta, anderen genieten van het heerlijke vlees van een gevangen everzwijn die aan het spit ligt. Ik geniet mee met de muziek, zacht meedeinend op de energie van de kleine menigte. Brúno komt naast me zitten en pakt me bij mijn schouder. “Dus, ga je vanavond nog je kans grijpen?” Ik grinnik. “Beste Brún, kun je even ergens anders aan denken dan de wijven? Het is feest, verdorie.” Brún’s lach buldert door de menigte. “Joah, joah. Maar de wieven zijn altijd een feest, vind je niet? Het is moeilijk kiezen hoor, een everzwijn of een wief. Ze zijn allebei om op te eten. HAHAHAHA!” Zijn enorme schouders schudden heen en weer terwijl hij tegen me aan leunt. Hij vind zijn eigen grappen altijd hilarisch. Ik lach maar met hem mee, om hem tevreden te stellen. Het kan nooit kwaad, een grote sterke kerel in je vriendenkring. Hij heft zijn bokaal. “Op de liefde! En goeie wieven.” Een aantal dronkenlappen heffen hun glas met hem mee.
Een aantal uur later ben ik zo zat als een malle. Ik strompel door de straatjes van ons dorp, nog half mee lallend met de muziek die in de verte klinkt. Ik ben op zoek. Op jacht. Ísbrand is namelijk nergens te vinden. Ik wil haar om haar hand vragen wanneer ik terugkom van onze overwinning op Ôrdlaf. Ôrdlaf. Mijn gezicht vertrekt in een snauw. Lafaards, dat zijn het. Mijn tante en haar dochter, neergestoken door speren. Mijn Pa, vermorzeld onder hun voeten. Ik grimas. Pa. Ik verstop mijn verdriet achter withete woede. Daar gaat mijn goede humeur. Weet je wat? Ik ga vanavond gewoon zelf op pad. Ik breek binnen en verbrijzel hun schedels in hun slaap. Als lammekes naar de slacht. Dat zal ze leren! Ik stomp terug naar huis, nog niet helemaal zeker van mijn evenwicht. Al snel zie ik de houten constructie, aan elkaar gelijmd met leem bij de muren om het warm te houden. Och, thuis. De rest zal nog wel aan het feesten zijn. Ik mep het doek dat voor de ingang zit opzij en zoek verwoed naar mijn spullen. Speer, gevonden. Schild, gevonden. Zwaard.. Natuurlijk. Verstopt onder de voorraadkast. Het is antiek, al generaties in de familie. Pa had het. Hij is ermee gestorven. Ik heb het uit een Ôrdlafse schavuit moeten halen. Pa heeft er minstens tien neergemaaid voordat hij zelf neerging. Ik ga voor minstens twaalf – neen, het hele kamp! Met trillende handen haal ik het zwaard uit zijn schede. Het is vlijmscherp, alsof het gisteren gemaakt is. Zorg goed voor je wapens, m’n jong. En dan zullen zij jou ook beschermen. Nou, daar had hij dus niets aan. Ik stop het zwaard aan mijn zijde. Moge de geesten van mijn wapens mij wel beschermen. Ik sta op en trek erop uit, stil als de nacht.
Onderweg richting het einde van mijn dorp beginnen mijn gedachten wat op te klaren. Twijfel slaat toe. Nee, dit is goed. Dit is wat ze verdienen. Maar alleen? Ik kijk achter me. Misschien moet ik toch Brún meevragen. De ijdele hoop dat hij achter me staat, zoals altijd, is tevergeefs. Ik marcheer verder, uit het dorp. Het ven waait rustig heen en weer. Rechts van me hoor ik de rivier kalm stromen. De modderige ondergrond wordt verlicht door een bleek, miezerig beetje maanlicht. Ik loop gespannen door. Wacht eens, daar zie ik iemand. In de verte. Met een fakkel. Is dat Ísbrand? Oh, gelukkig. Ben ik toch niet alleen. Mijn pas versnelt. Mijn hart bonst in mijn keel. Ísbrand! Wil ik roepen, maar voordat mijn stem uit mijn keel komt verschijnen er meer lichtpunten in de verte. En nog meer. Al snel staat mijn zicht voor ontelbare zwaaiende lichten, die steeds groter worden. Angst slaat toe. Dit is Ísbrand helemaal niet. Dit is een enorme menigte. Wat doen ze hier op dit uur? Heeft Ôrdlaf gehoord dat we aan het feesten zijn en komen ze ons aanvallen wanneer we op ons zwakst zijn? Mijn familie…
Mijn voeten zijn mijn gedachten voor en zijn allang omgedraaid. Ik ren zo hard ik kan terug naar mijn dorp. Het is niet snel genoeg. Ik laat mijn schild en speer vallen en ren door met het zwaard bengelend aan mijn heup. “ALARM!! WE WORDEN AANGEVALLEN! ALARM!!” Ik ben nog niet dichtbij genoeg. Mijn adem is kort en hevig. Het komt er met horten en stoten uit. Door! Ik moet ze waarschuwen. “ALARM!!! HELP!!!” De wanhoop slaat toe. Mijn benen zijn aan het verzwakken. Ik ben er bijna. De afbakening is in zicht. “WE WORDEN AANGEVALLE-“ Ik voel een scherpe pijn van achter. Mijn adem begint te gorgelen. Maar ik ren door. Een pijl vliegt langs me de heide in. Ik ben bij de afbakening. Waarom staat er niemand? “HELP!” kan ik alleen nog maar uitbrengen. “WAPENS!” Geen gehoor. Waar is Brún? Ísbrand? Ma? Mijn gegorgel wordt erger. Op naar het vuur. Hier de hoek om en- Nog een stekende pijn, deze keer net onder mijn ribben. Er steekt een houten pijl uit mijn zij. Ik kerm van de pijn, maar ik stop niet. Stap voor stap strompel ik verder. Ik kan niet meer ademen. Ik kan niet meer schreeuwen. In de verte zie ik het vuur en de dansende mensen. Ik gorgel.Ik val.Ísbrand. …Ma. Alles wordt zwart.
brommmmpghhhrmmm bolderbrommm ghhhrommmm Hans schrikt wakker van het gebolder en gedonder van het onweer. Het is een donkere winteravond. Het weer stond hem eerder op de dag al niet aan, dus in plaats van Lobbes - zijn ouwe hond - uit te laten, had hij ervoor gekozen om vroeg in bed te duiken. Hans maakt oude mannengeluiden terwijl hij zichzelf omhoog hijst. Hij plant zijn rug tegen het hoofdeind van het bed aan en gaat rechtop zitten, terwijl hij wacht tot zijn hart kalmeert.
Bom-bom, bom-bom, bo-dom, Bam-bam, ba-pam, da-dam, bonk-bonk, pom-pom, pom-pom, bo-bom… bo-bom.. bo-bom..
Wanneer zijn hart tot rust is gekomen, staat Hans op en stapt hij in zijn pantoffels – of ja, pantoffel. Hij kijkt uit het raampje van zijn tot woonhuis omgebouwde vuurtoren, waar de zee hard tekeer gaat.Woesjj, roesjjj, wffff, mpsshhhh, wo-mpfffff, pfffrshhhh, pffffffff, woesjjj, roesjjjj
Er gaat niets boven een beetje natuurgeweld. Hij grinnikt in zichzelf. Als hij nog zou varen met zijn oude bemanningsleden, zou deze avond het perfecte moment zijn voor een nieuw avontuur. Maar helaas, de tijd van ontdekkingsreizen is al lang voorbij. Tegenwoordig heeft iedereen zo’n TOMTOM.
Hans hinkt naar de deur van zijn kamer, waar zijn kunststof been zich bevindt. Hij vind zijn oude houten been nog steeds erg stoer, maar ook hij moet mee met de tijd. Als hout vochtig wordt, zet het uit en schuurt het zo bij de plek waar ooit zijn knie zat. Ook is hout erg zwaar en vinden sommige insecten het een heel leuke schuilplaats. Hans huivert. Een vage herinnering aan het geschraap van houtwormen die hij destijds veel te dicht bij zijn beenstompje voelde schiet door zijn hoofd. Hij schudt de gedachte van zich af en loopt door de smalle deur van zijn kamer . De deur heeft een cirkelvormig raampje, dat Hans van een ander schip heeft meegenomen en zelf in de deur heeft getimmerd. Hij is nog altijd trots op zijn vakkundigheid. Aan het andere eind van de spiraalvormige trap hoort Hans het gelach van een baby.
wehehehe hehehehe mwehehehe hehhhh heh heh heehhh hehee – ahhiiiii - hehehe- haaaaa hehehehee hihihi
Hans komt met een vragend gezicht de hoek om. Lobbes ligt languit op de bank van de woonkamer. De hond snurkt als een 53-jarige man met een midlifecrisis. Eén van zijn poten hangt over de armleuning. Lobbes’ kop leunt tegen de rugleuning aan, en grote slierten speeksel hangen uit zijn bek. De Televisie speelt een video af: lachende babygeluiden voor eenzame moeders: 24 uur versie. Het afspeelcirkeltje staat op vijf uur en drieëntwintig minuten. Het hondengesnurk en babygelach wisselen elkaar af, alsof ze met elkaar aan het praten zijn. Hans zoekt naar de afstandsbediening om een einde te maken aan de kakofonie en vindt hem half verborgen onder Lobbes’ buik. Na wat gesjor en een plop is Hans weer de meester van de afstandsbediening. Lobbes is meteen wakker.
WOE WOE WOE W- WWH- WOE WOE WOE
“Joah joah, ik ben het maar, ouwe Lobbes. Had je de TV voor jezelf?” Hans zet de TV uit en pakt de riem. Lobbes weet wat dit betekent en sjokt nog half in slaap naar de deur. Bij de deur krijgt de hond een stevige aai, wat klopjes op zijn rug, een handvol brokjes en de riem om. Hans heeft zijn regenjas aan en loopt tegen weer en wind in. Hij kan er bijna in leunen. Samen met zijn hond slaat hij een steegje in, waar een aantal jongeren in een cirkel een vuurwerkpakket aan proberen te steken. Hans stapt er op af en biedt zijn superdeluxe aansteker 9000 aan, waar hij normaal zijn sigaren mee aansteekt. Na een aantal pogingen kan het vuurwerk toch worden aangestoken, ondanks het weer.
BOEMBONS, BONSBOEM, BAMWOE WOE WOEE,WOF WOFLobbes laat ook van zich horen.BAF, BOEM, BAMM, pfffrrtiiieeeeuuuuuwww BAM.
En dan is het gedaan. De jongeren bedanken Hans, en hij grijnst. “Niks mooiers dan wat goeie kanonschoten.” Hij wenst ze een goede nacht en hinkt door. Lobbes doet nog even zijn ding in het gras.
Eindelijk komen Hans en Lobbes aan op hun eindbestemming: Bruine Bakkes, een biercafé. Het geluid van andere halvezolen die ondanks het weer toch wat wilden drinken vult de ruimte.
Blah blah blaahhba ba baboahhh boahh boahhwah wahh mwoahh mwoahh
Hans bestelt een quadruppel bij Scheve Steven: de barman en een oude vriend, en gaat er eens goed voor zitten. Lobbes krijgt een portie restjes van de keuken, die hij gretig opslobbert. Hans slaakt een lange, uitgelaten zucht en krabt aan zijn been.
Het leven is goed.
AxoDesign
Langzaam gleed de trein het station van Vlissingen binnen.Hilde stapte uit en snoof de zilte zeelucht binnen die in haar longen prikte. Het gekrijs van zeemeeuwen was duidelijk te horen boven het rumoer van alledag. Ze was bijna thuis. Hilde hapte afwezig naar de verse Zeeuwse bolus in haar hand, die ze eerder had meegenomen van de bakker in Krabbendijke, waar haar tante vandaan kwam.
De bakker was een kennis – of nou ja, de vader van een kennis. Ze heeft met zijn zoontje, Lucas, op de basisschool gezeten. Echt een onuitstaanbare belhamel was het. En toch waren ze vrienden geworden, vooral door een wedstrijdje wie als eerste in de bruine beuk naar boven kon klimmen. Zij won, natuurlijk. Natuurtalent dat ze was. Zo heeft ze zijn respect afgedwongen, wat leidde tot vele afspraakjes na school.
Toen ze naar Vlissingen verhuisde zijn ze het contact verloren. Het verwaterde gewoon, de drukte van het dagelijkse leven ging voor. En zonder het door te hebben was het 8 jaar later. Tijdens een gesprek met haar tante, kwebbelkous dat ze is, die aan het roddelen was over ditjes en datjes binnen het dorp viel zijn naam als een nostalgiebom. Alle herinneringen kwamen terug, en ze wist: ze moest hem zien. Ze moest weten hoe het met hem ging. Hoe hij was veranderd. Wat hij heeft meegemaakt.
Daarom ging ze naar zijn vader’s bakkerij, en ja hoor, daar was hij. Lucas, op zijn minst vijfentwintig centimeter gegroeid sinds de vorige keer dat ze hem zag. Zijn goed ontwikkelde spieren waren hard aan het werk met het kneden van deeg. Hilde zag dat hij veel rustiger leek. Hij merkte haar eerst niet eens op, tot ze haar keel schraapte. Een vage blik veranderde langzaam in een blik van herkenning, en met deze herkenning verscheen de leukste lach die Hilde ooit in haar leven had gezien op zijn gezicht. Ze moest er nog steeds van blozen. Ze hebben elkaars nummers opnieuw uitgewisseld (Hilde was van provider veranderd en natuurlijk kon ze haar oude telefoonnummer niet overzetten). En nu heeft ze hem gewoon in haar telefoon staan. Lucas. Haar innerlijke stem jubelde van geluk. Gauw keek ze op haar telefoon, hopend op een ongelezen bericht van hem.
Toen, opeens, voelde ze geflapper van een wirwar van witte veren heel dicht bij haar oor gevolgd door een bekend triomfantelijk gekrijs, een stekende pijn in haar linkerhand waardoor ze zelf gilde en alles losliet, inclusief haar telefoon, die hard op de grond knalde en meteen een gebroken scherm had. De half opgegeten bolus was nergens te bekennen.
Daar was ze dan. Ísbrand. Ze was bezig met haar fuiken op te zetten in het ondiepe riviertje aan de buitenkant van ons dorp. Ze was zo dichtbij, maar zo ver weg. Ze stond weer op, haar donkerrode haren volgde als een soort waaier haar beweging achterna. Haar gezicht was mooi, gehard door de ruige omstandigheden van het leven. Toch straalde ze een warmte uit, als een zon op een regenachtige dag. Ze keek even naar boven, naar de grijsblauwe wolken die in de verte op aan het doemen was. Over regen gesproken. Toen boog ze weer naar voren om zich op haar werk te focussen. Ik kon niets anders doen dan haar volledig aan te staren. Ze kijkt weer op. Raakt haar blik de mijne? Ze lacht. Ik lach terug. Ik word fel in mijn zij aangestoten. ‘Hé, Kraft, zit niet zo te staren jongen. Straks vang je nog vliegen met die open bakkes van je.’ Ik ben me weer bewust van het heden en doe gauw mijn mond dicht. ‘Hier, heb nog een steen. De afbakening gaat niet vanzelf.’ Met mijn handen vol met werk begin ik weer te bewegen. De man naast mij – Brún – grinnikt en gaat ook weer door. Hij heeft gelijk. De afbakening is tijdens de vorige aanval van de Ôrdlaf stam verwoest. Twee van de 4 eenkoornvelden zijn hierdoor ondergelopen met water. Een deel van de oogst is verpest, en dat betekent: rommelende buiken. Maar vanavond wordt het feesten, want we gaan ze terugpakken. Een aantal spoorzoekers hebben hun kamp gevonden aan de andere kant van de grote weide. Ik grijns in mezelf. Ik ga het doen. Ik ga ze neerslaan. En dan, wanneer we – ík – heb gewonnen, neem ik Ísbrand’s hand als mijn prijs.
Die avond is het feesten geblazen. Een heldere avondhemel staart ons aan, nietszeggend. De Goden lijken stil vanavond. Ik ril van de kou. Ik doe mijn schapenwol strakker om me heen en begin dichter bij het vuur te schuifelen. Ik kijk om me heen, naar mijn dorpsgenoten. Bekende gezichten, verlicht door een warme oranje gloed. Vrienden, familie. Het begint warmer te worden, vooral in mijn borstkast. Ik glimlach. Het lijkt alsof het leven nooit zo leuk is geweest. Alcohol vloeit als water. Sommigen dansen wild op de melodische klanken van een Chrotta, anderen genieten van het heerlijke vlees van een gevangen everzwijn die aan het spit ligt. Ik geniet mee met de muziek, zacht meedeinend op de energie van de kleine menigte. Brúno komt naast me zitten en pakt me bij mijn schouder. “Dus, ga je vanavond nog je kans grijpen?” Ik grinnik. “Beste Brún, kun je even ergens anders aan denken dan de wijven? Het is feest, verdorie.” Brún’s lach buldert door de menigte. “Joah, joah. Maar de wieven zijn altijd een feest, vind je niet? Het is moeilijk kiezen hoor, een everzwijn of een wief. Ze zijn allebei om op te eten. HAHAHAHA!” Zijn enorme schouders schudden heen en weer terwijl hij tegen me aan leunt. Hij vind zijn eigen grappen altijd hilarisch. Ik lach maar met hem mee, om hem tevreden te stellen. Het kan nooit kwaad, een grote sterke kerel in je vriendenkring. Hij heft zijn bokaal. “Op de liefde! En goeie wieven.” Een aantal dronkenlappen heffen hun glas met hem mee.
Een aantal uur later ben ik zo zat als een malle. Ik strompel door de straatjes van ons dorp, nog half mee lallend met de muziek die in de verte klinkt. Ik ben op zoek. Op jacht. Ísbrand is namelijk nergens te vinden. Ik wil haar om haar hand vragen wanneer ik terugkom van onze overwinning op Ôrdlaf. Ôrdlaf. Mijn gezicht vertrekt in een snauw. Lafaards, dat zijn het. Mijn tante en haar dochter, neergestoken door speren. Mijn Pa, vermorzeld onder hun voeten. Ik grimas. Pa. Ik verstop mijn verdriet achter withete woede. Daar gaat mijn goede humeur. Weet je wat? Ik ga vanavond gewoon zelf op pad. Ik breek binnen en verbrijzel hun schedels in hun slaap. Als lammekes naar de slacht. Dat zal ze leren! Ik stomp terug naar huis, nog niet helemaal zeker van mijn evenwicht. Al snel zie ik de houten constructie, aan elkaar gelijmd met leem bij de muren om het warm te houden. Och, thuis. De rest zal nog wel aan het feesten zijn. Ik mep het doek dat voor de ingang zit opzij en zoek verwoed naar mijn spullen. Speer, gevonden. Schild, gevonden. Zwaard.. Natuurlijk. Verstopt onder de voorraadkast. Het is antiek, al generaties in de familie. Pa had het. Hij is ermee gestorven. Ik heb het uit een Ôrdlafse schavuit moeten halen. Pa heeft er minstens tien neergemaaid voordat hij zelf neerging. Ik ga voor minstens twaalf – neen, het hele kamp! Met trillende handen haal ik het zwaard uit zijn schede. Het is vlijmscherp, alsof het gisteren gemaakt is. Zorg goed voor je wapens, m’n jong. En dan zullen zij jou ook beschermen. Nou, daar had hij dus niets aan. Ik stop het zwaard aan mijn zijde. Moge de geesten van mijn wapens mij wel beschermen. Ik sta op en trek erop uit, stil als de nacht.
Onderweg richting het einde van mijn dorp beginnen mijn gedachten wat op te klaren. Twijfel slaat toe. Nee, dit is goed. Dit is wat ze verdienen. Maar alleen? Ik kijk achter me. Misschien moet ik toch Brún meevragen. De ijdele hoop dat hij achter me staat, zoals altijd, is tevergeefs. Ik marcheer verder, uit het dorp. Het ven waait rustig heen en weer. Rechts van me hoor ik de rivier kalm stromen. De modderige ondergrond wordt verlicht door een bleek, miezerig beetje maanlicht. Ik loop gespannen door. Wacht eens, daar zie ik iemand. In de verte. Met een fakkel. Is dat Ísbrand? Oh, gelukkig. Ben ik toch niet alleen. Mijn pas versnelt. Mijn hart bonst in mijn keel. Ísbrand! Wil ik roepen, maar voordat mijn stem uit mijn keel komt verschijnen er meer lichtpunten in de verte. En nog meer. Al snel staat mijn zicht voor ontelbare zwaaiende lichten, die steeds groter worden. Angst slaat toe. Dit is Ísbrand helemaal niet. Dit is een enorme menigte. Wat doen ze hier op dit uur? Heeft Ôrdlaf gehoord dat we aan het feesten zijn en komen ze ons aanvallen wanneer we op ons zwakst zijn? Mijn familie…
Mijn voeten zijn mijn gedachten voor en zijn allang omgedraaid. Ik ren zo hard ik kan terug naar mijn dorp. Het is niet snel genoeg. Ik laat mijn schild en speer vallen en ren door met het zwaard bengelend aan mijn heup. “ALARM!! WE WORDEN AANGEVALLEN! ALARM!!” Ik ben nog niet dichtbij genoeg. Mijn adem is kort en hevig. Het komt er met horten en stoten uit. Door! Ik moet ze waarschuwen. “ALARM!!! HELP!!!” De wanhoop slaat toe. Mijn benen zijn aan het verzwakken. Ik ben er bijna. De afbakening is in zicht. “WE WORDEN AANGEVALLE-“ Ik voel een scherpe pijn van achter. Mijn adem begint te gorgelen. Maar ik ren door. Een pijl vliegt langs me de heide in. Ik ben bij de afbakening. Waarom staat er niemand? “HELP!” kan ik alleen nog maar uitbrengen. “WAPENS!” Geen gehoor. Waar is Brún? Ísbrand? Ma? Mijn gegorgel wordt erger. Op naar het vuur. Hier de hoek om en- Nog een stekende pijn, deze keer net onder mijn ribben. Er steekt een houten pijl uit mijn zij. Ik kerm van de pijn, maar ik stop niet. Stap voor stap strompel ik verder. Ik kan niet meer ademen. Ik kan niet meer schreeuwen. In de verte zie ik het vuur en de dansende mensen. Ik gorgel.Ik val.Ísbrand. …Ma. Alles wordt zwart.
brommmmpghhhrmmm bolderbrommm ghhhrommmm Hans schrikt wakker van het gebolder en gedonder van het onweer. Het is een donkere winteravond. Het weer stond hem eerder op de dag al niet aan, dus in plaats van Lobbes - zijn ouwe hond - uit te laten, had hij ervoor gekozen om vroeg in bed te duiken. Hans maakt oude mannengeluiden terwijl hij zichzelf omhoog hijst. Hij plant zijn rug tegen het hoofdeind van het bed aan en gaat rechtop zitten, terwijl hij wacht tot zijn hart kalmeert.
Bom-bom, bom-bom, bo-dom, Bam-bam, ba-pam, da-dam, bonk-bonk, pom-pom, pom-pom, bo-bom… bo-bom.. bo-bom..
Wanneer zijn hart tot rust is gekomen, staat Hans op en stapt hij in zijn pantoffels – of ja, pantoffel. Hij kijkt uit het raampje van zijn tot woonhuis omgebouwde vuurtoren, waar de zee hard tekeer gaat. Woesjj, roesjjj, wffff, mpsshhhh, wo-mpfffff, pfffrshhhh, pffffffff, woesjjj, roesjjjj
Er gaat niets boven een beetje natuurgeweld. Hij grinnikt in zichzelf. Als hij nog zou varen met zijn oude bemanningsleden, zou deze avond het perfecte moment zijn voor een nieuw avontuur. Maar helaas, de tijd van ontdekkingsreizen is al lang voorbij. Tegenwoordig heeft iedereen zo’n TOMTOM.
Hans hinkt naar de deur van zijn kamer, waar zijn kunststof been zich bevindt. Hij vind zijn oude houten been nog steeds erg stoer, maar ook hij moet mee met de tijd. Als hout vochtig wordt, zet het uit en schuurt het zo bij de plek waar ooit zijn knie zat. Ook is hout erg zwaar en vinden sommige insecten het een heel leuke schuilplaats. Hans huivert. Een vage herinnering aan het geschraap van houtwormen die hij destijds veel te dicht bij zijn beenstompje voelde schiet door zijn hoofd. Hij schudt de gedachte van zich af en loopt door de smalle deur van zijn kamer . De deur heeft een cirkelvormig raampje, dat Hans van een ander schip heeft meegenomen en zelf in de deur heeft getimmerd. Hij is nog altijd trots op zijn vakkundigheid. Aan het andere eind van de spiraalvormige trap hoort Hans het gelach van een baby.
wehehehe hehehehe mwehehehe hehhhh heh heh heehhh hehee – ahhiiiii - hehehe- haaaaa hehehehee hihihi
Hans komt met een vragend gezicht de hoek om. Lobbes ligt languit op de bank van de woonkamer. De hond snurkt als een 53-jarige man met een midlifecrisis. Eén van zijn poten hangt over de armleuning. Lobbes’ kop leunt tegen de rugleuning aan, en grote slierten speeksel hangen uit zijn bek. De Televisie speelt een video af: lachende babygeluiden voor eenzame moeders: 24 uur versie. Het afspeelcirkeltje staat op vijf uur en drieëntwintig minuten. Het hondengesnurk en babygelach wisselen elkaar af, alsof ze met elkaar aan het praten zijn. Hans zoekt naar de afstandsbediening om een einde te maken aan de kakofonie en vindt hem half verborgen onder Lobbes’ buik. Na wat gesjor en een plop is Hans weer de meester van de afstandsbediening. Lobbes is meteen wakker.
WOE WOE WOE W- WWH- WOE WOE WOE
“Joah joah, ik ben het maar, ouwe Lobbes. Had je de TV voor jezelf?” Hans zet de TV uit en pakt de riem. Lobbes weet wat dit betekent en sjokt nog half in slaap naar de deur. Bij de deur krijgt de hond een stevige aai, wat klopjes op zijn rug, een handvol brokjes en de riem om. Hans heeft zijn regenjas aan en loopt tegen weer en wind in. Hij kan er bijna in leunen. Samen met zijn hond slaat hij een steegje in, waar een aantal jongeren in een cirkel een vuurwerkpakket aan proberen te steken. Hans stapt er op af en biedt zijn superdeluxe aansteker 9000 aan, waar hij normaal zijn sigaren mee aansteekt. Na een aantal pogingen kan het vuurwerk toch worden aangestoken, ondanks het weer.
BOEM BONS, BONS BOEM, BAM WOE WOE WOEE, WOF WOF Lobbes laat ook van zich horen.BAF, BOEM, BAMM, pfffrrt iiieeeeuuuuuwww BAM.
En dan is het gedaan. De jongeren bedanken Hans, en hij grijnst. “Niks mooiers dan wat goeie kanonschoten.” Hij wenst ze een goede nacht en hinkt door. Lobbes doet nog even zijn ding in het gras.
Eindelijk komen Hans en Lobbes aan op hun eindbestemming: Bruine Bakkes, een biercafé. Het geluid van andere halvezolen die ondanks het weer toch wat wilden drinken vult de ruimte.
Blah blah blaahh ba ba ba boahhh boahh boahh wah wahh mwoahh mwoahh
Hans bestelt een quadruppel bij Scheve Steven: de barman en een oude vriend, en gaat er eens goed voor zitten. Lobbes krijgt een portie restjes van de keuken, die hij gretig opslobbert. Hans slaakt een lange, uitgelaten zucht en krabt aan zijn been.
Het leven is goed.